Tijdens een groot deel van de middeleeuwen werden boeken geschreven door monniken. De monniken schreven in het Latijn. Latijn was en is de taal van de Rooms-Katholieke Kerk.
Het Nederlands van toen, wat wij nu Oudnederlands noemen, was een
spreektaal. Dat wil zeggen dat het alleen werd gesproken en niet werd
gebruikt om te schrijven.
Toch
kennen wij Oudnederlandse woorden. En dat komt niet omdat wij
radio-opnames uit de middeleeuwen hebben! Af en toe vinden wij in
middeleeuwse manuscripten, tussen alle Latijnse woorden, een enkel
Oudnederlands woordje. Vaak waren dat woordjes waar de schrijver/monnik
geen Latijnse naam voor had. Dan moest hij eerst een woord uit het
Oudnederlands vertalen in het Latijn. En daar had hij niet altijd zin
in.
Meester Henk! Hoe moet ik mij dat voorstellen !
Hier
volgt een voorbeeld. Het komt uit een handschrift waarin alle
schenkingen aan een klooster worden bijgehouden. Maar ook alle rechten
en verplichtingen. De rechten van de keukenmeester van het klooster
worden zo beschreven:
Partes vero que dicuntur netten et nerebedden, domini erunt. Quando trucantur carnes, habent coci halsknoc et caudas et isben.
(de vette woorden zijn in het Oudnederlands)
Vertaling: de delen evenwel die netten en nerebedden
genoemd worden (net = het met vet dooraderd vlies rondom de darmen van
een rund en nerebedden = het vet waarin de nieren liggen), zullen voor
de heer zijn. Wanneer de stukken vlees gehakt worden, krijgen de koks
de halsknoc (?) en de staarten en het isben (het ijsbeen, bot van de voorhiel).
Dus de tekst is in het Latijn geschreven, maar in de Latijnse tekst staan ook Oudnederlandse woorden.
Meester Henk! Hoeveel Oudnederlandse woorden zijn er teruggevonden ?
Wetenschappers
hebben ongeveer 5000 Oudnederlandse woorden teruggevonden. Ze gaan vaak
over eten en drinken (zie boven), landbouw en veeteelt, maten en
gewichten, of gaan over land en water. Bijvoorbeeld het woordje broke voor moerasland of hem voor een stuk land omgeven door een sloot. Allemaal losse woorden in lange Latijnse teksten.
Maar
in 1932 veranderde dat. Dan doet een Engelse wetenschapper een heel
bijzondere ontdekking. Kenneth Sisam bestudeert in Oxford
een manuscript uit de 11e eeuw. Het manuscript komt uit het klooster
Sint-Andrew in Rochester (Kent). Het manuscript bevat preken van abt
Aelfric. Sisam bestudeert niet alleen de preken, maar ook de
pennenproeven op de achterzijde van de laatste bladzijde.
Meester Henk! Wat zijn pennenproeven?
Monniken
schreven met een ganzenveer. Maar na een tijd werd de punt van de veer
stomp. Dan sneden ze een nieuwe punt aan de ganzenveer. Om te kijken of
het nieuwe punt goed schreef, maakten ze een korte krabbel. Meestal
schreven ze zoiets stoms als “probatio pennae” of “probatio pennae si bona sit”. [Dit is een proef om te kijken of het goed is]. Er bestaan ontzettend veel van deze pennenproeven.
Maar bij de derde pennenproeve op de achterzijde van de laatste
bladzijde ziet Sisam iets afwijkends. Hier staat niet een standaard
pennenproef, maar iets heel bijzonders. Er staat :
quid expectamus nunc
abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu
hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic
enda thu wat unbidan we nu

Sisam
ziet direct dat hij iets bijzonders heeft gevonden. Hij heeft de oudste
zinnen in het Oudnederlands ontdekt! Geen losse woorden maar hele
zinnen!
Meester Henk! Wat betekent het ?
“Hebban
olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu”
betekent “Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat
wachten wij nu.” In gewoon Nederlands: "Zijn alle vogeltjes begonnen
met het bouwen van hun liefdesnestje, behalve jij en ik. Waar wachten
we nog op?"
Het is een klein liefdesgedichtje, een liefdesliedje.
Meester Henk! Hoe kan een Oudnederlands gedichtje in een Engels klooster opduiken?
In
de middeleeuwen reisden monniken door heel Europa. Ze woonden en
werkten dan een tijd in een klooster in het buitenland. Zo moet ook een
Vlaamse monnik een tijd lang in het klooster in Rochester geleefd
hebben. Daar kopieerde hij boeken. Letter voor letter schreef hij
boeken over. En toen hij zijn nieuw gesneden ganzenveer moest
uitproberen, dacht hij aan een gedichtje dat hij thuis in Vlaanderen
geleerd had: “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu ..”
Deze
twee zinnetjes zijn het begin van het Nederlands als schrijftaal. Het
duurde niet lang of er kwamen complete boeken in het Nederlands.
Heb je naar aanleiding van deze les nog vragen ? Mail dan naar meester Henk.
Bron: Frits van Oosterom; Stemmen op schrift. Amsterdam, 2006.
Meer lessen over de late middeleeuwen:
Ridders en kastelen
Ridders
Heraldiek
Kastelen
De eerste kruistocht (1095-1099)
De Zwarte Dood
School in de middeleeuwen
De middeleeuwse stad
Markten in de stad
Stadhuis
De gilden
De Hanze
De Lakenhal
Armenzorg in de middeleeuwen
Het galgenveld. Straf in de Middeleeuwen.
13 mei 2026
