Lokale edelen hadden een landgoed te leen gekregen van de Frankische koningen (zie: Leenstelsel).
Na Karel de Grote verdween de macht van de Frankische koningen. De
lokale edelen kregen hierdoor meer macht, maar zij moesten
ook hun grondgebied beschermen tegen aanvallen van andere edelen
en/of de Vikingen.
Sommige edelen bouwden als bescherming een
primitief kasteel: een ringwalburg. Een ringwalburg was een 2 tot 4
meter hoge aarden wal. Soms stond op de wal een houten muur en was er
een gracht. Binnen de wal stond de woning/boerderij van de heer en de
belangrijkste gebouwen als stallen en schuren. Bij gevaar schuilde de
lokale bevolking binnen de wal.
Vanaf 1000 na Chr. kwam er een nieuw type kasteel bij: het mottekasteel.

Meester Henk! Wat is een mottekasteel ?
Een mottekasteel was een eenvoudig, houten kasteel.
Eerst groef men een heuvel of motte. Daarop bouwde men een houten toren
of donjon. De toren werd beschermd door een houten muur (palissade).
Onder aan de motte was een tweede, iets lagere heuvel: het binnenhof.
Ook het binnenhof werd beschermd door een houten muur. Rondom de motte
en het binnenhof lag een gracht. Een houten valbrug verbond het kasteel
met het binnenhof.
In het binnenhof stonden schuren, stallen en de huizen van de soldaten, knechten en bedienden van de heer.
De heer woonde in de donjon, samen met zijn vrouw en kinderen. In de
donjon was de ridderzaal de belangrijkste ruimte. Hier sprak de heer
recht en bestuurde hij zijn landgoed. Bovenin de toren was de
schatkamer. Daar stond de schatkist, onder het bed van de heer en zijn
vrouw.
Bij
een aanval op het grondgebied van de heer trokken de boeren
met hun vee zich terug op het binnenhof. Daar kregen zij
bescherming van de heer en zijn soldaten.
Bij verlies van het binnenhof trok men zich terug in de donjon.
Meester Henk! Het kasteel is gemaakt van hout. Dat steek je toch zo in de brand !
Jazeker,
hout brandt goed. Daarom bekleedde men de toren met dierenhuiden. Bij
een aanval werden de huiden natgemaakt. Vuurpijlen doofden snel uit op
de natte huiden.
Maar hout blijft kwetsbaar. Na ongeveer 20 jaar
was het hout verrot en moest je het vervangen. Je was dus de hele tijd
bezig met herstelwerkzaamheden.
Daarom zochten de kasteelheren hiervoor een oplossing. Het antwoord was steen.
Maar het bouwen van een stenen kasteel was enorm kostbaar. Alleen een
edelman met veel landerijen en inkomsten kon een stenen kasteel betalen.
Vanaf 1100 verschenen de eerste stenen kastelen, zgn. shell keeps. Op
de motte werd de palissade vervangen door een stenen muur. De houten
toren en het binnenhof verdwenen. Alle gebouwen werden tegen de
binnenkant van de stenen muur gebouwd.
Een mooi voorbeeld van een shell keep is de burcht van Leiden.
Later kwamen de woontoren en het binnenhof weer terug. Maar de
woontoren was veranderd in een enorme stenen slottoren.
Aan het eind van de 13e eeuw komt er een nog groter kasteel: kastelen
met dubbele buitenmuren. Maar van dit type kasteel is er in Nederland
maar één gebouwd.
In Nederland was de waterburcht of het waterkasteel populair. Een
waterkasteel wordt direct omgeven door een brede gracht, rivier of
meer. Beroemde voorbeelden van waterkastelen zijn kasteel Radboud in
Medemblik, het Muiderslot, Slot Loevenstein en kasteel Ammersoyen.

Meester Henk! Hoe bouw je een kasteel?
Je
zoekt eerst een goede plek voor je kasteel. Het kasteel moet bij een
strategisch punt liggen. Aan een rivier, kruispunt van wegen of een
combinatie hiervan. Hierdoor heb je controle over de handel. Dit
betekent extra inkomsten. Ook moeten er voldoende dorpen in de buurt
liggen voor werkkrachten en voedselvoorraden. Heel belangrijk is de
toevoer van vers water. Een waterput is een absolute noodzaak.
Als je een goede plek hebt gevonden, is het tijd om te gaan werken.
Eerst wordt het kasteel op de grond uitgetekend. Dan graven de arbeiders een brede en diepe gracht.
Vervolgens graven zij greppels op de plek waar de muren moeten komen.
Niet alleen van de buitenmuur, maar ook van de woontoren. De greppels
worden gevuld met steenpuin en stevig aangestampt. Dit moet het gewicht
van de zware muren dragen.
Nu kunnen we beginnen met het bouwen van de muren en torens. Maar
voordat er kan worden gebouwd, moet er eerst steen gekregen worden.
Natuursteen moest worden aangevoerd van een steengroeve.
In Nederland is geen natuursteen. Natuursteen moest worden aangevoerd
vanuit Duitsland, België en Scandinavië. Daarom werden Nederlandse
kastelen hoofdzakelijk gebouwd van baksteen.
Meester Henk! Wat is baksteen?
Baksteen
is gebakken klei. De klei werd in een mal gedaan en de gevormde
rechthoek werd gebakken. Zo maakten ze een zgn. kloostermop.
Nee,
dat is geen flauw grapje van een monnik, maar een zware baksteen van 30
cm lang, 15 cm breed en 8,5 cm dik. Voor het bouwen van een kasteel
waren heel veel moppen nodig.

Was
er voldoende baksteen aanwezig, dan begon de bouw. Honderden mannen
werkten aan de bouw van het kasteel. Steenhouwers, metselaars, smeden,
timmermannen en heel veel arbeiders. Al deze mannen werkten onder
toezicht van de meester-metselaar.
Het duurde jaren voordat het kasteel gebruikt kon worden.
Meester Henk! Hoe zag het kasteel eruit?
Eerst waren er enorme buitenmuren. De buitenmuren waren 3 tot 5 meter dik. En ruim 10 meter hoog.
De buitenmuur bestond uit twee muren. De ruimte tussen de muren werd
voor een deel opgevuld met steenpuin. Binnen de muren loopt ook de
weergang. Hier liepen de soldaten als de muur verdedigd moest worden.
De buitenmuur was hoger dan de binnenmuur. Zo werden de verdedigers
beschermd tegen vijandelijk vuur. In de buitenmuur zitten schietgaten,
al of niet met houten platen afgeschermd, en smalle pijlspleten.
In de muur zit ook het poortershuis. Dat was de plek waar je het
kasteel binnenkwam. Daarom moest je dat extra goed beschermen. Dat
gebeurde door aan beide kanten van de poort torens neer te zetten. Ook
kon de ingang worden afgesloten met een ophaalbrug, valhekken en zware
poorten.
Het
belangrijkste gebouw was de woontoren. Hier leefde de heer met zijn
gezin en bedienden. In de woontoren was de ridderzaal de grootste en
mooiste kamer. Langs de wanden hingen wandtapijten en schilden. Hier
ontving de heer zijn gasten, sprak hij recht en bestuurde hij zijn
landerijen.
Ook was de ridderzaal de slaapkamer voor veel bedienden. Die zochten een plekje op de grond en slapen maar.
Meester Henk! Wie werkten er op het kasteel?
Op
een groot kasteel leefden al snel tientallen mensen. In grote keukens
werd het eten klaargemaakt door koks, koksjongens, bakkers en
keukenhulpjes. De provisiemeester was verantwoordelijk voor de
voedselvoorraden. De bottelier of butler was verantwoordelijk voor de
wijnkelder.
De belangrijkste groep waren de soldaten. Vanuit het
kasteel werd een groot gebied gecontroleerd. Ook moesten zij het
kasteel verdedigen.
Meester Henk! Werd een kasteel aangevallen?
Een
belegering van een kasteel kwam niet vaak voor. Een kasteel was
speciaal gemaakt als verdedigingswerk en was dus moeilijk te veroveren.
De aanvallers hadden twee manieren om een kasteel te veroveren: 1) door
het kasteel binnen te dringen of 2) door de bewoners uit te hongeren.
Om
een kasteel binnen te dringen, beschikten de aanvallers over
verschillende werktuigen. Ze hadden stormladders, verrijdbare torens
met een brug om op de muren neer te laten en stormrammen om de poort
mee te rammen. Ook beschikten zij over katapulten en blijden. Hiermee
werden grote stenen tegen het kasteel geslingerd. Hiermee maakte men
gaten in de muren, waardoor de aanvallers het kasteel binnen kunnen
dringen. Ook slingerde men dode dieren en mensen over de muren. In de
hoop dat de verdedigers bang worden of ziek. Ook groeven de aanvallers
tunnels. Onder de muur werd een enorm vuur aangestoken zodat de muur
daar zo zwak werd dat deze instortte.
Om het kasteel extra te
beschermen, werden hordijzers over de muren gehangen. Dit waren houten
overkappingen met aan de onderkant werpgaten. Hier gooiden de
verdedigers stenen door en goot men heet water en hete olie op de
aanvallers.
Boogschutters stonden bij de schietgaten de aanvallers te bestoken met pijlen.
Stormladders werden met lange stokken van de muren weggeduwd en het
rammen van de muren werd bestreden door grote, dikke matten te laten
zakken.

Door een kasteel heel lang te omsingelen, hoopten de aanvallers dat de verdedigers honger en dorst kregen en zich overgaven.
De verdedigers moesten voldoende voedsel en water binnen de muren
hebben. Zo overleefden zij een langdurige omsingeling.
In
de 14e eeuw verdween de militaire functie van het kasteel. De komst van
kanonnen maakte een kasteel heel kwetsbaar. De soldaten verdwenen en
het kasteel kreeg alleen een woonfunctie. De heer woonde er met zijn
gezin en bedienden.
Meester Henk! In de provincies Noord- en Zuid-Holland zijn weinig kastelen terug te vinden. Hoe kan dat?
In
Holland kwamen vanaf de late middeleeuwen veel steden. De steden wilden
geen kastelen in de buurt hebben. Want vanuit een kasteel kon men de
stad aanvallen.
Daarom sloopten de stedelingen alle kastelen in de
buurt van een stad. De stenen gebruikten zij om de muren rondom de stad
te verstevigen.

Maar
genoeg gepraat over kastelen. Jullie moeten een kasteel bezoeken. Dan
pas zie je goed hoe indrukwekkend ze zijn. Ja, zelfs in Holland zijn
nog wel een paar kastelen te vinden.
Hier vind je een overzicht van alle Nederlandse kastelen. Een overzicht van interessante kastelen met adressen en openingstijden vind je hier.
Heb je nog vragen over kastelen? Stuur ze naar meester Henk. Misschien heeft hij een antwoord.
Literatuur:
Philip Steele,
Het beste boek over Ridders en Kastelen. Haarlem, 2009
Ian Barnes, Ridders en kastelen. Leuven, 2012.
N. Harris, Bouw een kasteel. Zottegem, 2010.
Nog meer lessen over de Late Middeleeuwen:
:
Ridders en kastelen
Ridders
Heraldiek
De eerste kruistocht (1095-1099)
Hebban olla vogala nestas
De Zwarte Dood
14 mei 2026
