|
|||
De meeste steden hadden een nijverheid waar ze groot en belangrijk in waren. In onze stad was dat de lakenproduktie.In
de middeleeuwse stad waren verschillende ambachten aanwezig. Zo waren
er slagers, bakkers, timmerlui en smeden. Deze mensen werkten voor de
plaatselijke markt. Meester Henk! Wat is laken ? Laken
is een wollen stof, maar een hele luxe wollen stof. Laken slijt bijna
niet en is vuil- en waterafstotend. Kleding van laken ging dus heel
lang mee. Zelfs zo lang dat je in middeleeuwse testamenten kunt lezen dat
kledingstukken van laken werden doorgegeven. Je kreeg van je overleden
opa zijn winterjas. Laken was ook een belangrijk exportartikel. In heel
Europa waren de mensen dol op Nederlands laken.
De wol werd dan gewassen. De poep en andere
viezigheid werd uit de wol gewassen. De rivier in onze stad was de
aangewezen plek om wasplaatsen te bouwen. Dan werd de wol naar de
wolkammers gebracht. Zij kamden en pluisden de wol. Nu was de wol wel
schoon, maar nog niet geschikt om te kunnen spinnen. Daarvoor moest het
eerst nog worden gekaard. Met grote borstels werd de wol gekamd, zodat
de wolhaartjes allemaal netjes naast elkaar kwamen te liggen.
De lakenwever spande de draden op het weefgetouw en
weefde het laken tot een voorgeschreven afmeting. Onbewerkt laken was
3,5 meter breed en 35 meter lang. Hier ging ongeveer 40 kg wol in. Dan werd het laken naar de vollers of volders gebracht. Deze mensen moesten de wol laten vervilten. De volders stopten het laken in een grote bak met heet water, urine, zeep en vollersaarde (een vettige klei die het vuil uit de wollen vezels opnam). De vollers gingen dit alles met de voeten aanstampen. Hierdoor vervilte de wollen stof; het kromp en werd dus ook dikker. Heel vies werk dat ook slecht werd betaald. Dan werd er opnieuw
gewassen en gedroogd op speciale houten ramen. Hierdoor werd het laken
in de juiste maten opgerekt: 2,5 bij 21 meter. Al deze stappen werden gekeurd en kregen bij
goedkeuring een loodje. Werd een bepaalde bewerking afgekeurd, dan kreeg
het lood een klop, een extra stempel in het lood. Of het laken werd
teruggestuurd. Een eindproduct kon wel zeven verschillende keurings- of
lakenloodjes hebben. Zoveel handelingen gaven werk aan honderden mensen. De meeste beroepen waren beschermd door een gilde. Niet iedereen mocht het beroep gaan uitoefenen. Men moet lid zijn van het gilde en daarvoor moest men poorter zijn. Je mag twee keer raden welke mensen in het productieproces van laken geen gilde hadden. Stuur je antwoord naar meester Henk.
Heb je nog vragen over deze les? Mail ze naar meester Henk Bron: Ben Speet, De tijd van steden en staten. Kleine geschiedenis van Nederland, deel 4. Zwolle, 2008
14 mei 2026 . |
|||