De middeleeuwse stad

In de late middeleeuwen ontstonden overal in de Nederlanden opnieuw steden. Daarom noemen wij deze periode ook wel de "Tijd van de steden (en staten) ".


De grootste verandering in de late middeleeuwen was de terugkeer van de steden. Overal in Nederland ontstonden opnieuw steden.

Meester Henk!! Wat bedoelt u met “opnieuw”?

De Romeinen hadden in Nederland steden gesticht. Bijvoorbeeld Maastricht en Nijmegen. Maar toen zij vertrokken, raakten deze steden in verval. De nieuwe bewoners van Nederland, de Germanen, leefden liever op het platteland. Maar vanaf de late middeleeuwen ontstonden er opnieuw steden.

Meester Henk!! Waardoor ontstonden er toen nieuwe steden?

De belangrijkste oorzaak was de terugkeer van de handel. In de vroege middeleeuwen was er wel handel geweest maar heel weinig. In de late middeleeuwen begon de handel weer te bloeien. Een aantal uitvindingen in de landbouw zorgden er voor dat de oogsten veel beter werden. Hierdoor waren niet alle mensen gedwongen om te werken op het land. Zij hoefden geen boer meer te zijn maar werden handelaar. Zij reisden rond en kochten en verkochten goederen. Eerst leefden zij nog in de dorpen waar zij geboren waren. Maar algauw gingen zij bij elkaar wonen. Wel zo gezellig! Zij zochten daarvoor een veilige plek. Een kasteel of klooster bood veiligheid. Bij gevaar zochten de handelaren dan bescherming in het kasteel of klooster. Maar ook de aanwezigheid van wegen en waterwegen was belangrijk. Dus de kooplieden gingen in de buurt van een kasteel en op een kruispunt van wegen en/of rivieren wonen.

Deze nederzettingen trokken ook ambachtslieden aan. Mensen die goederen maakten. Goederen die de kooplieden elders verkochten. De nieuwe nederzettingen groeiden snel. Om ze te beschermen bouwden de kasteelheren nieuwe versterkingen. Vaak een gracht met een wal. De wal was voorzien van een doornhaag of een palissade (houten muur). Voor de kasteelheer betekende een dorp vol met handelaren en ambachtslieden een belangrijke bron van inkomsten.

Andere steden ontstonden op de plek waar een dam in de rivier was geplaatst. Hier vroeg de landsheer tolgeld. Tol is een soort belasting om op de rivier te mogen varen. Om te zorgen dat iedereen betaalde bouwde de heer een dam in de rivier. De goederen moesten uit de ene boot in een andere boot worden overgezet. Dat bracht veel werkgelegenheid. Mensen die de goederen moesten overzetten, pakhuizen waar de goederen tijdelijk werden opgeslagen. Herbergen als de kooplieden niet verder konden reizen. Ambachtslieden als kuipers, kistenmakers en smeden. Allemaal beroepen die met de handel te maken hadden. Kortom, rond een dam in een rivier ontstond een nederzetting die soms uitgroeide tot een heuse stad. Alle plaatsen met –dam in de naam zijn zo ontstaan, bijvoorbeeld Rotterdam (dam in de Rotte), Amsterdam (dam in de Amstel) en Appingedam (dam in de Appe). Maar er zijn in Nederland tientallen plaatsnamen eindigend op -dam.

De handelaren en ambachtslieden in beide nederzettingen hadden op een gegeven moment behoefte aan een eigen wetgeving. Zij hadden niets aan wetten die voor boeren gemaakt waren. Dus vroegen zij de landsheer, bijvoorbeeld de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht, of zij hun eigen recht mochten spreken. Het verkrijgen van deze rechten van de landsheer moet niet altijd makkelijk zijn geweest. De landsheren hadden moeite met het eigengereide optreden van de kooplieden en ambachtslieden die hun eigen regels maakten. Maar de landsheer kreeg veel meer belangstelling toen duidelijk werd dat er in de dorpen met kooplieden en ambachtslieden veel geld verdiend werd. Niet alleen omdat het voor de landsheer een fijne bron van inkomsten was maar ook kreeg de landsheer hele rijke bondgenoten.

Daarom verleenden de landsheren stadsrechten aan nederzettingen waarvan zij hoopten dat zij een belangrijke regionale functie zouden krijgen. De stad werd een verzorgingscentrum voor het omringende platteland. Boeren, tuinders en vissers brachten hun producten naar de markt en kochten wat zij nodig hadden in de stad. De stad werkte ook als een exportmarkt voor de goederen van hun ambachtslieden.
De landsheer gaf aan de nederzettingen privileges als het recht op een stadsmuur (in plaats van een wal), marktrecht (het recht om een week- en/of jaarmarkt te houden), stapelrecht (het recht om bepaalde goederen op te slaan en dan te verkopen) muntrecht en waagrecht. Ook regelde het hoe de stad moest worden bestuurd, wie er recht sprak en wat de rechten en plichten van de poorters van de stad waren.

Kom mee met poorter Henk om nog meer over de middeleeuwse stad te leren.

Stadspoort

Bron:

Ben Speet, De tijd van steden en staten. Kleine geschiedenis van Nederland, deel 4. Zwolle, 2008.

Algemene Geschiednis van Nederland, deel 2.

Henri Pirenne, De middeleeuwen. Amsterdam, z.j.

Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

September 1, 2019

  
Terug naar Mijn klooster

 

 

 

 

Stadsbrief Culemborg

 

 

Dam in de rivier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar Mijn klooster