Het leenstelsel

De Frankische koningen hadden de trouw van hun edelen nodig. Karel de Grote gebruikte het leenstelsel om deze trouw te krijgen. In ruil voor land en bescherming kreeg hij trouwe edelen.


Koning Willem- Alexander heeft macht omdat de regering hem dat geeft. En de mensen in Nederland vinden dat goed.

De Frankische koningen hadden dat niet. Zij waren afhankelijk van de trouw van belangrijke edelen en geestelijken,de zogenaamde rijksgroten. Zonder hun steun was de koning machteloos.

Meester Henk!! Hoe kreeg de koning de steun van de rijksgroten?

Om de steun te krijgen gaf de koning veel cadeautjes. Om cadeautjes te krijgen ging de koning op veldtocht. Zodra de wintersneeuw smolt ging de koning, samen met zijn edelen, op rooftocht. In het najaar keerden zij terug met karren vol buit en een stoet slaven. De edelen kregen een groot deel van de buit en vonden de koning een toffe peer!! Een koning die hun steun verdiende. (Stel je eens voor dat koning Willem-Alexander dat nog zou doen!)

Karel de Grote gebruikte geen buit maar zijn eigen koninkrijk om de steun van de edelen te krijgen. Hij kreeg de steun in ruil voor land, hulp en bescherming. De edelen werden zijn leenman of vazal. Dat noemen wij het leenstelsel.

Meester Henk!! Ik begrijp het niet!!

Oké!! Jullie tafeltjes zijn mijn koninkrijk en jullie zijn edelen, bisschoppen en abten van belangrijke kloosters. Jullie tafeltjes zijn van mij want ik ben de koning.

Meester Henk!! O pardon, koning Henk!! Van wie heeft u het land gekregen?

Van God. God is mijn heer en ik ben zijn leenman. God is wel een moeilijke heer want hij zegt niet altijd duidelijk wat hij wil. Maar gelukkig krijg ik steun van de mensen van de kerk om God te begrijpen.

Om koning te zijn heb ik jullie steun nodig. Mijn opa had jullie steun gekregen door cadeautjes te geven, veel cadeautjes. Maar bij koning Karel/Henk werkte dat niet meer. Het leefgebied van de Saksen en de Longobarden (zie Karel de Grote) was arm en de gebieden waar je nog wel lekker kon stelen lagen te ver weg.

Daarom verdeelde ik mijn eigen rijk in stukken, jullie tafeltjes. Maar om aan een tafeltje te mogen zitten moeten jullie trouw zweren. Trouw aan jullie koning.

Daarvoor werden grote feesten georganiseerd. Op zo'n feest zweerde een edelman of geestelijke [Simon, kom even voor de klas] zijn trouw aan mij, koning Henk. Simon legde zijn handen in mijn handen en sprak de eed van trouw: “Ik, Simon de Dappere, zweer trouw aan mijn heer, koning Henk, en beloof om hem bij te staan met raad en daad. Dat beloof ik.”

Dan gaven de koning en de nieuwe leenman elkaar een stevige zoen [Simon, doe niet zo flauw en kom terug].

Smak, smak

De leenman kreeg in ruil voor zijn trouw een stuk van mijn koninkrijk (je tafeltje) te leen.

Let op: hij kreeg het te leen. Als hij dood ging was het tafeltje/grondgebied weer van de koning.

De leenman kreeg een landgoed plus alle boeren die er op woonden.

Meester Henk! Hoe zag een landgoed eruit?

Het landgoed of domein bestond uit twee delen. Het grootste deel van een domein was het vroonland. Dat was de grond van de heer. Het vroonland bestond voor het grootste deel uit woeste gronden als bos en hei.

Een klein deel van de vroonlanden was landbouwgrond: akkers en weiland. Daar stond ook het huis van de heer: de vroonhoeve. De vroonhoeve was een grote boerderij. Dat was niet raar. Ook de koning woonde op een boerderij!

Naast het woonhuis stonden schuren en werkplaatsen als een smederij. Alles werd beschermd met een houten muur.

Het tweede deel van het domein was het hoeveland. Dat waren de landbouwgronden voor de boeren die op het domein leefden. (zie: Horigheid) De heer kreeg de opbrengsten van het vroonland en een deel van de oogst van de boeren. In ruil hiervoor beloofde hij de koning te helpen met raad en daad.

Meester Henk! Wat betekent “met raad en daad”?

De kroonvazallen waren verplicht om op de hofdagen te komen.

De hofdagen waren belangrijke vergaderingen. Karel de Grote riep dan al zijn belangrijke leenmannen (kroonvazallen) naar zijn palts. (zie: Karel de Grote) Deze belangrijke edelen moesten de koning advies geven. Zij moesten hem raad geven. De hofdagen waren zeer belangrijk en je moest wel een heel goed excuus hebben om niet op een hofdag te verschijnen.

Naast de raad was er nog de daad. Elke leenman was verplicht om de koning te helpen als hij op veldtocht ging. Hij moest dan op een afgesproken plaats komen en trok dan met de koning en alle andere leenmannen ten strijde. Dat was de daad. Leenmannen waren verplicht om de koning gedurende dertig dagen te helpen. Duurde de veldtocht langer, dan moest de koning de edelen betalen.

Een edelman verschijnt met veel ridders

Karel de Grote gebruikte het leenstelsel ook om zijn rijk te besturen. Hij had zijn rijk opgedeeld in graafschappen of gouwen. Een graafschap werd door een graaf bestuurd. In het graafschap was ook een domein/hof voor de graaf gemaakt.

Daarnaast gebruikte Karel de Grote het leenstelsel om ridders in zijn leger te krijgen. Ridders waren zeer dure soldaten. Daarom leende hij stukken land aan ridders. Die konden gebruik maken van de opbrengsten van hun leengoed of domein om hun uitrusting te betalen.

Heb je een vraag ? Mail dan naar meester Henk @psammos.nl

Meer lessen over de vroege middeleeuwen vind je hier:

De FrankenDe Franken

Karel de Grote Karel de Grote

Karel ende Elegast

Horigheid Horigheid

Hoe Nederland christelijk werd. Hoe Nederland christelijk werd

Germaanse goden Germaanse goden

Monniken en kloosters Monniken en kloosters

Opkomst van de Islam Opkomst van de Islam

De Vikingen De Vikingen door Nils Roturier

De Woeste Vikingen

Nederland in de vroege middeleeuwenNederland in de vroege middeleeuwen

 

Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

Maart 31, 2016

  
Terug naar startpagina vroege middeleeuwen

 

 

De edelman zweert trouw aan de koning

 

 

Dappere ridder te paard

 

 

Ook hij is dapper!!

 

 

Ridder

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar startpagina vroege middeleeuwen