De lakenhal

De meeste steden hadden een nijverheid waar ze groot en belangrijk in waren. In onze stad was dat de lakenproduktie.


Sommige mensen in de stad hadden een beroep waar zij voor geleerd hebben. Zij leerden het vak van een gildemeester( link gilde).  Mensen die voor hun beroep hadden geleerd noemen wij ambachtslieden. Ambachtslieden moesten lid zijn van een gilde. Meestal leefden zij bij elkaar in een straat of een wijk van de stad.
Een middeleeuwse stad had meestal één product waarin zij heel goed waren. In Haarlem, Gouda en Delft was bier een specialiteit. Daarom leefden daar veel bierbrouwers. In Hilversum waren ze gespecialiseerd in het maken van houten tuinmeubels. In onze stad was het maken van laken heel belangrijk. Honderden mensen verdienden hun boterham in de lakenindustrie.

Meester Henk! Wat is laken ?

Laken is een wollen stof maar een hele luxe wollen stof. Laken slijt bijna niet en is vuil- en waterafstotend. Kleding van laken ging dus heel lang mee. Zelfs zo lang dat in middeleeuwse testamenten lakense kledingstukken werden doorgegeven. Je kreeg van je overleden opa zijn winterjas. Laken was ook een belangrijk exportartikel. In heel Europa waren de mensen dol op Nederlands laken.
Het maken van laken kende veel deelbewerkingen en voor iedere bewerking waren gespecialiseerde ambachtslieden nodig.
Het hele productieproces begon met het aanvoeren van wol. De meeste wol kwam uit Nederland, Vlaanderen maar vooral uit Engeland en Schotland. Daar kochten kooplieden de wol en werd het met schepen naar onze stad gebracht.

De wol werd dan gewassen. De poep en andere viezigheid werd uit de wol gewassen. De rivier in onze stad was de aangewezen plek om wasplaatsen te bouwen. Dan werd de wol naar de wolkammers gebracht. Zij kamden en pluisden de wol. Nu was de wol wel schoon maar nog niet geschikt om te kunnen spinnen. Daarvoor moest het eerst nog worden gekaard. Met grote borstels werd de wol gekamd zodat de wolhaartjes allemaal netjes naast elkaar kwamen te liggen.
Dan kwam een belangrijk onderdeel van het proces: het verven. Dit bepaalde voor een groot deel de kwaliteit van laken. Hoe beter geverfd hoe beter de kwaliteit. In grote kuipen werd de wol geverfd. Hiervoor gebruikte de wolververs natuurlijke verfstoffen. Voor de gele kleur gebruikten zij wouw. Meekrap werd gebruikt voor de rode verfstof en wede en lakmoes voor de blauwe kleur. Men gebruikte aluin om te zorgen dat de verfstof goed hechtte. Want al de wol moest overal gelijk gekleurd zijn en niet vlekkerig. Daarom ging er zeer veel tijd zitten in het verfproces en werd het eindresultaat door speciale gemeentelijke controleurs gekeurd (staalmeester) en voorzien van een code.

De lakenwever spande de draden op het weefgetouw en weefde het laken tot een voorgeschreven afmeting. Onbewerkt laken was 3,5 meter breed en 35 meter lang. Hier ging ongeveer 40 kg. wol in.

Dan werd het laken naar de vollers of volders gebracht. Deze mensen moesten het wol laten vervilten. De volders stopten het laken in een grote bak met heet water, urine, zeep en vollersaarde (een vettige klei die het vuil uit de wollen vezels opnam). De vollers gingen dit alles met de voeten aanstampen. Hierdoor vervilte de wollenstof; het kromp en werd dus ook dikker. Heel vies werk wat ook slecht werd betaald.

Dan werd er opnieuw gewassen en gedroogd op speciale houten ramen. Hierdoor werd het laken in de juiste maten opgerekt: 2,5 bij 21 meter.
De laatste handelingen waren het opruwen, waarbij alle wollenhaartjes in één richting werden gekamd en het scheren van het laken. Met grote scharen werden uitstekende pluisjes en haren verwijderd zodat een mooi effen oppervlak ontstond. En dan werd het laken op glans gebracht met sandelhoutolie. Dat heette appreteren.

Al deze stappen werden gekeurd en kregen bij goedkeuring een loodje. Werd het bepaalde bewerking afgekeurd dan kreeg het lood een klop, een extra stempel in het lood. Of het laken werd teruggestuurd. Een eindproduct kon wel zeven verschillende keurings- of lakenloodjes hebben.
Was alles goedgekeurd dan werden de lakens te koop aangeboden in de lakenhal, een overdekte markt. Hier kwamen handelaren uit heel Europa om laken te kopen.

Zoveel handelingen gaf werk aan honderden mensen. De meeste beroepen waren beschermd door een gilde. Niet iedereen mocht het beroep gaan uitoefenen. Men moet lid zijn van het gilde en daarvoor moest men poorter zijn. Je mag twee keer raden welke mensen in het productieproces van laken geen gilde hadden. Stuur je antwoord naar meester Henk.

 

Bron: Ben Speet, De tijd van steden en staten. Kleine geschiedenis van Nederland, deel 4. Zwolle, 2008
Lakens, loodjes, ordonnantie en impost.

 

 

Oktober 28, 2019

.Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

  

 

 

 

 

 

 

b